Psalmen

Beschaving is huilen
bij het omgekeerde.
Ik kleef daar geen namen op,
u kent ze wel
maar onuitgesproken

Geweld bijvoorbeeld is
een zekerweten
dat beter opgelicht,
uit volle borst,
waarmee de dag begint

zodat het uit de luwte van mist
en schaduw wordt gebroken,
dat het geheel en eindeloos
aan mij verplicht is.

geïnspireerd bij een uitspraak van pater Benoit Standaert

Nessun Dorma

Ik voel dat god met mij
mee zwemt tot aan
het strand waaruit
het wassende water wegtrok.

Aangespoeld ligt hij
naast mij te wolken.
Wentelend zand rollebolt in genot
met ruimte, licht en
overzicht

Hij zegt er zit een vis
in je buik met klappend
gevin, die zal je helpen,
leiden, vervoeren,
zeggen waar het oogsten ligt.

Doch ik keerde,
wou zeezoek terug naar
wat dieptes brengen,
golven, schuim en alle
zouten,
die zo bekend en mij beminnen.

Maar hij raakte mij de navel, wiegde,
wenkte mijn buik in z’n hand,
sprak bezorgd en
duidde zwijgzaam, tilde blikken:

“Jongen,
we zijn al aan de overkant”.

 

Op Nessun Dorma uit “Turandot” van Puccini,
uitvoering: Luciano Pavarotti

Nederlandse vertaling

Niemand moet slapen, niemand moet slapen,
Zelfs jij, oh Prinses
In jou koude kamer,
staar naar de sterren,

Marcus 13:37

Wat ik tegen jullie zeg, zeg ik
tegen iedereen: wees waakzaam.

waakzaam

Doe voor de nacht uit is het licht
niet aan, zit stil en pleeg geen angst
of zet je vragen niet op nu
maar laat ze tijden kiezen
als duisternis het land ontvlucht.

Zet je schrap, de bergen grommen,
duivels ontsluiten kunsten op plaatsen van afspraak:
ze bonken en bloeden, ze plagen je huizen dus
rolluik je ramen, verberg alle jongsten en
denk aan de raad van wijzen en oudsten

Haal proviand en het water, boeken die duren,
hurk je smal en zit op wacht, er sluipen tekens van de dood,
spits je oren, schoen je lood, reik de verte,
marcheer voorbij aan de gedachten, aan alles wat voorbijgaat,

verstil en beluister
het leven bestaat maar
zachtjes en
op een haar na.

feat. “N.N.” – Koos Schuur

De wonde

1.

Hij wenkt de elfde
als eerste,
vraagt waar zijn
die eeuwige tien,
geeft zijn hand, kust
haar hoofd, zegt
wat ze weet
maar niet wil zien
maar moeilijk gelooft.

2.

En nu zij gelooft
weet ze wel beter,
voelt zich begrepen als koningin,
nooit meer ergens tussenin maar
voluit nu en
nooit voor even dus
buitensporig
de vrouw van z’n leven