De schepping (2)

De aarde was cirkel
of toch ongeveer,
doods en nog kraaknet,
onstuimig en teer.

Het einde, de tunnel,
een bries stoof er uit,
de lampen, de wolken,
het licht tot besluit.

Er ontspon zich een bodem,
plaveisel, moeras,
drijfzand, riolen,
steentjes, een plas.

Ge-dag en ge-nacht,
gescheur en gewelf,
de zon ging er onder,
de maan bleef vanzelf.

De aarde werd ronder,
of toch ongeveer,
doods en nog kraaknet
maar stil zondermeer

Als aards

24/03/97

Als”aards” omvat je
mijn handen vooral, die klamme,
wakke handen, altijd gravend,
bevrijdend alsof ze nooit lucht hadden gekend

en hebben ze geen lucht meer
dan bevrijd jij me even: zie je ze trillen(?)
en gillen (?) en nemen (?), steeds meer
en steeds beter, maar steeds
zachter en ooit nog eens
stiller.

Zie je me, dan neem je m’n hoofd,
dan wenk je m’n lach, bijt je m’n wang,
dan hou je de regen vast , of
laat je ze vallen, je glijdt ze weg,
je mijdt geen druppel, geen enkele
seconde verlies ik in je armen.

Stevige vesting, hemelse vaart

Ik lig op het zorgeloze land
en heb er de grond gevonden,
malse, platte grond die maalt
om mijn voeten te begrijpen.

Liefdevol heeft ze
mijn zwaarte gevloerd om
helemaal vlieg, dan mens
te kunnen worden.

Vanuit mijn vlucht vooruit
strekt mijn verlangen zich
klinkend te buiten
en vangt als vriend met
hangende staart mijn voeten
die stijgen, mijn handen
die reiken
en golven
op een goede vaart