Een kind loopt

Een kind loopt,
Loopt voorbij aan alles
Wat voorbij mag gaan zoals
Het muurtje waaraan netels
kleven en de posters die
hun vreugde schreeuwen, voetjes
kronk’len over grijs en grint.

Geen vleugje vreugde kan
nog dichter bij bij het kind. Zo
voldaan en vlinder vliegt ze blind
om zoveel blijdschap in bestaan.

Het kind zet nog eens aan want
zie loopt vader daar met
twee bloemen in z’n haar

Mijn nood

Mijn nood heeft uitzicht
maar niemand kijkt nog mee
dus niks is wat het lijken zou
mijn wonde staart naar zee

Dat licht schijnt op
de daken, vind
geen kieren en geen god
weet zich niet te laten
blijken, alles dicht en
dus op slot.

Het lijkt niet sterk genoeg
dat licht door smalle kieren
nergens mogen bloemen staan,
planten noch dieren

Mijn nood wordt stilaan sterven
de kern zijn van alleen
om van daar nieuw licht te werven
leven persen uit een steen.

Zij is nogal bloem vandaag

Zij is nogal bloem
van stem vandaag.

Waar wacht ze op
dat ze zo stuifmeel
praat? Een klaproos
is zij – denk ik.

Met TL-licht op
haar gelaat, ontluikt ze –
bliksemschicht te laat –
en steeds maar weer opnieuw,
denk ik.

Waar wacht je op?
vraag ik haar gering.
Tot een vriend of een beminde?
Tot een verhaal of die andere
taal waarin het leven jou verblinde?

Die van de ogen, wens ik haar toe.

Maar ze draait zich alweer moe naar –
langszij – de smalle tafelrand,
waarop haar hand,
waarbij de tweede de eerste
zacht krabt.

Ze speelt alweer pas gesloten klaproos,
zeg ik.

(°1998)