Als aards

24/03/97

Als”aards” omvat je
mijn handen vooral, die klamme,
wakke handen, altijd gravend,
bevrijdend alsof ze nooit lucht hadden gekend

en hebben ze geen lucht meer
dan bevrijd jij me even: zie je ze trillen(?)
en gillen (?) en nemen (?), steeds meer
en steeds beter, maar steeds
zachter en ooit nog eens
stiller.

Zie je me, dan neem je m’n hoofd,
dan wenk je m’n lach, bijt je m’n wang,
dan hou je de regen vast , of
laat je ze vallen, je glijdt ze weg,
je mijdt geen druppel, geen enkele
seconde verlies ik in je armen.

Lentegedicht

Zie de lente lacht met wind
die liggen wil, het ruim van stilte
schampert willig nabij,
het ademen vrij.

Ze lacht om het verstoten avondland
want languit speelt gewonnen licht
op brakke grond,
een hond vergist zich via schaduw
naar het water, stuurloos en verstomd

De lente lacht geluid om het verlaten
winterdal, krakend aan het weefsel van de rug.

ik weet gierig van het kantelen,
stamel even
en lach vriendelijk terug.

Parels

Parels hebben iets van nooit
genoeg van jou, zou het
kunnen?

Want hoe ben je genoeg mens,
een blik in het hart en
vanzelf is het vermoeden trouw
aan het behoeden van
wat was en wat niet wou.

en dat er schittering van uitgaat
jouw lach, lijf en leden, die
nooit genoeg van jou.