Drie Koningen

Hun wil geschiede als
met een toverstaf wat
ze hebben mee de wind
wil zeggen. Ze snoeien
fier verdwaalde wegen
van zich af, ontruimen
het bed bij overtollig gewoel,
liggen te vree,
kijken hun ogen samen
op het hemelblad, zien
dat wat er bovendrijft
zon is en zacht,
ze blazen uit de nacht.

De schepping (2)

De aarde was cirkel
of toch ongeveer,
doods en nog kraaknet,
onstuimig en teer.

Het einde, de tunnel,
een bries stoof er uit,
de lampen, de wolken,
het licht tot besluit.

Er ontspon zich een bodem,
plaveisel, moeras,
drijfzand, riolen,
steentjes, een plas.

Ge-dag en ge-nacht,
gescheur en gewelf,
de zon ging er onder,
de maan bleef vanzelf.

De aarde werd ronder,
of toch ongeveer,
doods en nog kraaknet
maar stil zondermeer

En verder nog

Van gogh

Zich van mij afgeschud
gedijen tranen op een vaalt
dat geen verleden nog herkent.

Het is er weg en afgevlakt,
neergelegd op gronden
waaraan niemand ze vergeten kan,
al vermoed ik ze diep maar
weinig berust in
hoe ze daar liggen.

In hoe ze daar liggen:
als verloren brood en
sterk in vuur, bos,
de bomen. In dromen
die verloten waaraan dit mensenkind
zich levenslang noch later
moet verstoren,

al is de nacht nog ver
en verder nog het licht.

Op “De zaaier” Vincent Van Gogh, (1888

Slaap

Ik denk: slaap rust zonder
mij de nacht wel uit,
laat mij doorheen alles
het blinde bewaken, maakt
sterren waarop te blikken kan,
laat mij daarop vallen dan,
en als ik openspat bij
zoveel “aaahhh’s en oooohhh’s”
en dus nooit de slaap ‘ns vat