Zich, zelf en toebehoren

De vijand was Zichzelf: een
klein kedut waar fnuiken aan met
smaak, verval en bloedverwanten.

Vroeger was je zei men niks of
zekerlijk conform de wet, betalend
in gebeden en in velerlei contanten.

En je was er nooit om weinig
maar omdat het God bekoorde
om de kruimels op het bord
want je leefde dus behoorde.

Nu zich en zelf verenigd bij
een put waarin men lacht, spiegelvrij,
los van licht met de schaduw
aan weerskanten,

heb ik troost in oude tijden
waar geen mens nog aan verlangt.
moet ik vinden, zal ik wijden:
behorende liefde die zichzelf ontvangt.

Dertig

Waaraan heb ik genoeg
om terug te keren naar
het punt waar het begonnen
is, mijn leven moet
toch een terechte vraag:
het met vlees
en woord mijn tegenover
doen bewegen of verstillen.

Zonder het te willen weet
ik nu hoe mooi de zaken
eigenlijk zitten, maar onmog ‘lijk ook
en starend met een volk gelaat
op uitersten,
met bollende
leegte als een schaduw
waarin waarheid is en herinnering

 

Naar Herman uit “Kunst oder Leben” (deel 13, Heimat deel 2)

Ik vlooi

Ik vlooi stukken leven
pelsen van bestaan
gooi die schaamteloos hoger
omdat licht daarop kan staan

zo word ik heerlijk meester
van mijzelf die word gezien
eindelijk geen twijfel
keizer bovendien

ik dompel alles onder
ook de schaduw als ze lacht
men zou eens moeten weten
hoe ik alles ronder,
hoe ik alles heb bedacht.