Onder de zee ligt haar spiegel

Diepgaand bestaan temt de tijd
tot ietwat meer voorzichtigheid.
Er haalt een klok de schouders op
met onder haar hooggeheven wijzers
lege ruimte voor verdriet.

Het is nu ver na twaalven of
zelfs later maar dat proef je
smakelijk niet en
net als alle water wordt je
zee of harde regen
op mijn weerloze haren.

Dan laten we samen tranen
op de grond van morgen
en
verschijnt gisteren
zonder afspraak
onder wijzers verborgen

Ach Maria

Ach Maria blijf wat u was,
met straal en ster mijn
meest nabije, rake gloed
om al het blije, gul
van hart, streng als ’t moet.

Bij stromen treurnis
huil ik om zegen,
zoek hoogte bij
mijn dolende wegen,
zie mijn woede,
plaag mijn angst

Blaas daarom de geest te boven,
draag mijn groei en
blijf bestaan naast waar ik
het meeste om vrees.

De opstanding

Men heeft me de weg beschreven
naar het beloofde land
ze wilden mij daar leidden
sleepten alles uit de brand

Ik kon hen wel begrijpen
‘k zag de wereld die zo bloed
dat ik met hen begon te hopen
dat het eindelijk nu moet

Toen begonnen we te stappen
in de richting die men wees
we zouden niet meer stoppen
tot het eindelijk verrees:

land van melk en honing
gerechtigheid die kwam
maar zeven doffe schoten
ons verlangen hield geen stand

Ik begon toen hard te huilen
maar te staren naar het raam
en verzamelde bewijzen
te beginnen, van vooraf aan

Ik zal de weg herschrijven
naar het zuurverdiende land
van belofte en beloning
met een vuist tegen de wand

Troost voor milde huid

etoile

Oogjes schrijven hem: zie me
lieve jongen, gloei me,
zwijg me zacht terug, vlug,
schenk me de namen die je bent en
deel stukjes karig blond met
het meisje die
geen zonnegloed maar
Hades heeft gekend.

Beetje later schrijven haar terug:

alle namen die ze vroeg,
stukjes blond, zoveel hij kan,
zonnegloed voor milde huid en
handen
waarin ze huilen mag.

Hades? zie http://nl.wikipedia.org/wiki/Hades

En verder nog

Van gogh

Zich van mij afgeschud
gedijen tranen op een vaalt
dat geen verleden nog herkent.

Het is er weg en afgevlakt,
neergelegd op gronden
waaraan niemand ze vergeten kan,
al vermoed ik ze diep maar
weinig berust in
hoe ze daar liggen.

In hoe ze daar liggen:
als verloren brood en
sterk in vuur, bos,
de bomen. In dromen
die verloten waaraan dit mensenkind
zich levenslang noch later
moet verstoren,

al is de nacht nog ver
en verder nog het licht.

Op “De zaaier” Vincent Van Gogh, (1888