Mij zegt het verlangen

Mij zegt het verlangen
dat ze niet weet waar het naartoe gaat,
en waar het op uitkomt al evenmin.

Ik verpats dus het liefste aan het toeval
maar geloof toch in het lot van het verpatsen.
Nee dus, geen vluchten aan.

Want waar het op uitkomt
is mij een raadsel, dus
rest er mij niks dan paden te tarten
die de richting gaan,
er op weg naar zijn
en in dit bewandelen,
(zo met schoenen aan, van die vormvaste),
ook kunnen begroeten
dat jij het verlangen bent,
het liefste.

Samen eerst, dan apart

Samen

“Geleidelijk” glijdt
het nestje binnen. Ik ben
hier nog geweest mompelt
ze, maar dan vroeger, toen
hier nog een boom stond waar-
aan knoppen bloeiden, toen
traag zijn heerlijk was en
gele zon priklimonade speelde.

“Geleidelijk” is hier thuis,
landt en werkt als niks
tot je verlangen door,
als stappen op je hart, één
voor één tot je verder moet en
vliegen durft,
samen eerst,
dan apart.

Stevige vesting, hemelse vaart

Ik lig op het zorgeloze land
en heb er de grond gevonden,
malse, platte grond die maalt
om mijn voeten te begrijpen.

Liefdevol heeft ze
mijn zwaarte gevloerd om
helemaal vlieg, dan mens
te kunnen worden.

Vanuit mijn vlucht vooruit
strekt mijn verlangen zich
klinkend te buiten
en vangt als vriend met
hangende staart mijn voeten
die stijgen, mijn handen
die reiken
en golven
op een goede vaart