Water

Zoals het water wou ik straten overlopen,
maar het water vond nooit een weg langs mij.

Hetzelfde met de wind:
haar wou ik bomen doen omploegen,
maar ze ging niet akkoord en
ze verloor zichzelf in de eigen stroom.

Van alles wat het leven in me sloot,
wat het dit water die al z’n wind ontbood.

De wind en het warren van de geest

Wat had ik maar huilt een
wind een vrouw bij man te huis.
Een deur valt open: de mond en
het kind manen moed, ze
berichten er de liefde

Ik zie hen zo de weg van luilach links
te laten, zakken zucht ploffen blind,
het licht lacht uit de kiezen, het zand,
de mieren rollen tunnels onderdoor. De tijd
holt achteruit, op lakens wegen zij de dingen
af en toe zegt hij nog een keer

Wat had ik maar de war zo half en
half en spijt op wangen verblijd die
verlaten en vervangen,
die krijsen genoeg of vanavond laat
het leven luidop hangen

Het wordt tijd dat de klok,
dat de tijd, het gewin, zuigende ramen,
het wordt tijd dat rolluiken, hoeken mondvlees, duinen en daden,
spinners gelijk of gelijkenissen zondermeer,
dat de klokken,
het wordt tijd dat de klokken,
het wordt tijd,
dat de wind valt.

Een schip

Van het moment af
dat je ziet
niks dan zee of rake wind
geen boute luwe kade meer
gaan land in zicht
dan weet je niet/onklaar
dat jouw midden zich
bevindt en waar.

Blind op de uitkijk
walst het schip
naar de richting
van het kompas
poets jij het dek
en dwaalt in vroeger
toen het
nog lente was.