En uit het licht de zee

En uit het licht de zee
en naar de zee de mens
die er als de som van
alle dingen heen kijkt, vloeiend
naast gedane zaken
neerstrijkt, die niet keren
maar bewaren doet
wat zout in haar handen,
wat zout op zijn blote lijf,
wil suggereren: spijt op
een blauw blaadje,
over hem, van haar en
dat je nooit meer
springen zou, nooit
meer zomaar.

Mijn nood

Mijn nood heeft uitzicht
maar niemand kijkt nog mee
dus niks is wat het lijken zou
mijn wonde staart naar zee

Dat licht schijnt op
de daken, vind
geen kieren en geen god
weet zich niet te laten
blijken, alles dicht en
dus op slot.

Het lijkt niet sterk genoeg
dat licht door smalle kieren
nergens mogen bloemen staan,
planten noch dieren

Mijn nood wordt stilaan sterven
de kern zijn van alleen
om van daar nieuw licht te werven
leven persen uit een steen.

De ruimte

De ruimte laat zich afronden:
de liefde verbindt zich.
Deelachtig ook mijn schaduw
binnen die ruimte, niks
wordt over het hoofd gezien:
de dieren, ze zijn er
de mensen, man en vrouw
de lucht, de wolken: regen
de zee, een schip
varen van nat naar land
hartelijk bestand tegen
onlusten die komen,

een belofte wordt dromen.

Een schip

Van het moment af
dat je ziet
niks dan zee of rake wind
geen boute luwe kade meer
gaan land in zicht
dan weet je niet/onklaar
dat jouw midden zich
bevindt en waar.

Blind op de uitkijk
walst het schip
naar de richting
van het kompas
poets jij het dek
en dwaalt in vroeger
toen het
nog lente was.

En vloed

Vloed

Ze zwenkt onder
het blauwe land,
kronkelings buigt ze
de woorden:
“verder ben ik nooit geweest,
verder lijkt me verloren.”

Ze zwijgt en lacht
me laat terug,
wat geeft ze
mij te kennen?
Laat ze het land
voor wat het is
of durft ze te bestemmen?

Ze draait en
keert zich als een golf,
vloedt en
raakt de bedding,
voelt de warmte,
proeft het zand
en weet:
“dit is mijn redding”.